Home » Algemeen » Economisch » Industrie ziet productie in 2026 voor het eerst in vier jaar weer groeien
Door: Redactie - 30 juni 2026 |
De Nederlandse industrieproductie groeit in 2026 voor het eerst in vier jaar weer, zij het mondjesmaat. ING verwacht dat herstellende consumentenbestedingen en extra overheidsinvesteringen de orderportefeuilles langzaam vullen, terwijl de energie-intensieve sectoren nog stevige tegenwind houden. Voor productieleiders en inkopers betekent dat een jaar van voorzichtig optimisme, met grote verschillen tussen branches en aanhoudende druk vanuit internationale handelsspanningen.
Na drie magere jaren ziet de Nederlandse industrieproductie in 2026 eindelijk weer een plusje. De groei blijft bescheiden en ongelijk verdeeld, maar de richting wijst voor het eerst sinds 2022 weer omhoog. De belangrijkste aanjagers zijn de aantrekkende consumentenbestedingen en de extra overheidsinvesteringen in defensie en infrastructuur, die de vraag naar industriële producten geleidelijk opstuwen. De recente omzetcijfers van de industrie van het CBS laten zien hoe vlak dat herstel verloopt: over heel 2025 lag de omzet 0,8 procent hoger dan een jaar eerder.
Tegelijk waarschuwt ING dat het herstel kwetsbaar blijft. Internationale handelsspanningen, Amerikaanse invoerheffingen en de zwakke positie van de energie-intensieve bedrijven drukken op het tempo. De industrieproductie veert dus op vanaf een laag niveau, niet vanuit kracht. Wie de cijfers per branche bekijkt, ziet vooral grote onderlinge verschillen: de machine- en elektrotechnische industrie trekt de kar, terwijl de basisindustrie achterblijft en de chemie zelfs verder wegzakt.
Het Nederlandse beeld past in een bredere Europese kentering. Na een langgerekte dip in de verwerkende industrie wijzen de inkoopmanagersindices voorzichtig de goede kant op, geholpen door de dalende rente en lagere energieprijzen ten opzichte van de pieken van 2022. Toch is van een brede opleving nog geen sprake. Bedrijven blijven terughoudend met grote investeringen zolang de geopolitieke onzekerheid aanhoudt en de vraag uit Duitsland, traditioneel de motor van de regio, pas net begint te herstellen.
De chemische sector vormt het zorgenkind van het Nederlandse industrielandschap. Mondiaal groeide de petrochemische capaciteit de afgelopen vijftien jaar met 65 procent, vooral in China, en die uitbreiding zet onverminderd door. De resulterende overcapaciteit en de toevloed van goedkope, deels gesubsidieerde chemie uit Azië zetten Europese producenten klem. De kunstmatig laag gehouden Chinese munt en de Amerikaanse invoerheffingen maken het beeld er niet beter op. Vooral upstream producenten in de petrochemie en basischemie voelen dat direct in hun marges.
De gevolgen zijn ingrijpend. Dow schrapt ruim een vijfde van zijn banen in Nederland, Evonik meer dan tweeduizend in Duitsland. Tussen 2022 en 2025 verzesvoudigde het aantal sluitingen van Europese chemiefabrieken, goed voor een capaciteitsverlies van 37 miljoen ton, ofwel 9 procent. De Europese Commissie noemt de handelsrelatie met China niet langer houdbaar en denkt na over beschermingsmaatregelen, met het risico op stevige Chinese tegenzetten boven de markt.
Voor verwerkende chemiebedrijven verderop in de keten pakt het beeld minder somber uit. Zij profiteren juist van de lagere grondstofprijzen die de overcapaciteit met zich meebrengt. Het zwaartepunt van de pijn ligt dus bij de basischemie, terwijl gespecialiseerde producenten van coatings, lijmen en fijnchemie hun marges beter vasthouden. Die tweedeling maakt generieke steunmaatregelen lastig, omdat wat de een helpt de ander juist kan schaden.
Ook de Europese en Nederlandse basismetaal beleeft roerige tijden. De internationale concurentiepositie blijft zwak en nieuwe energieprijsstijgingen kunnen de kosten verder opjagen, al blijft dat effect beperkt zolang het bestand tussen de Verenigde Staten en Iran standhoudt. In 2026 drukken de Amerikaanse invoerheffingen voor het eerst een heel jaar op de export. Het tarief van 50 procent op staal en aluminium raakt de sector hard, al geldt voor verpakkingsstaal van Tata Steel Nederland via Tata Steel UK het lagere Britse tarief van 25 procent.
Er zijn ook lichtpunten. De oplopende defensie-uitgaven en infrastructuurprogramma’s, waaronder de Duitse investering van 500 miljard euro, jagen de vraag aan. Daarnaast bieden invoerbeperkingen als CBAM en strengere EU-safeguards bescherming. Per 1 juli verdubbelt de EU de importheffing op staal boven het vrijgestelde quotum naar 50 procent, terwijl dat quotum bijna halveert. Daardoor zakt het aandeel staalimport in de Europese consumptie van 25 naar 13 procent.
Op de langere termijn hangt veel af van de verduurzaming. Tata Steel werkt aan de overstap naar een waterstofroute die de CO2-uitstoot fors moet verlagen, een traject dat miljarden vergt en pas na 2030 volledig rendeert. De vraag is of de sector de tussenliggende jaren financieel gezond doorkomt nu de concurrentiedruk en de heffingen tegelijk oplopen. Heldere vergunningstrajecten en gerichte overheidssteun zijn daarbij doorslaggevend voor het behoud van zware industrie in eigen land.
Bij de voedingsindustrie oogt het beeld op het eerste gezicht kalm, maar de industrieproductie blijft daar duidelijk achter bij de bredere opleving. De productiecijfers over januari tot en met april bevestigen het vermoeden dat de productie dit jaar nauwelijks groeit. Ook voor 2027 voorziet ING geen echte versnelling. Afwachtende consumenten en de krimpende veestapel in de vlees- en zuivelsector drukken het volume, waardoor de sector qua omvang blijft hangen rond de piek van 2018.
Toch is er geen sprake van krimp. Een stabilisatie of lichte omzetgroei ligt in lijn der verwachting, ook volgens de laatste peiling onder producenten over de komende maanden. Voor de industrieproductie als geheel werkt de voeding daarmee remmend, terwijl andere takken juist gas geven. Dat illustreert nog eens hoe versnipperd het herstel dit jaar verloopt.
Binnen de voeding lopen de deelmarkten sterk uiteen. Producenten van houdbare en geexporteerde levensmiddelen presteren beter dan de versketen, die last heeft van de teruglopende veestapel en strengere milieuregels. Daarbovenop drukt de aanhoudende kosteninflatie op verpakkingen en energie de marges, ook al stabiliseren de grondstofprijzen langzaam. Voor veel fabrikanten draait 2026 daarom minder om groei en meer om het op peil houden van rendement.
De twee belangrijkste aanjagers van het herstel liggen buiten de fabriekspoort. Ten eerste de consument: nu de koopkracht voorzichtig herstelt en de inflatie afvlakt, durven huishoudens weer iets meer te besteden. Dat vertaalt zich met enige vertaging in orders voor consumptiegoederen en de toeleverende maakindustrie. Ten tweede de overheid, die via defensie en infrastructuur fors investeert. Beide kanalen vullen de orderboeken, al sijpelt het effect traag door.
Voor wie de bredere context volgt, is de samenhang met de economie als geheel onmiskenbaar: een aantrekkende binnenlandse vraag tilt de industrie mee omhoog, terwijl de export gevoelig blijft voor handelspolitiek. De industrieproductie reageert daarmee sterker op binnenlandse impulsen dan in de voorgaande jaren, toen juist de buitenlandse vraag de toon zette.
Wel is voorzichtigheid op zijn plaats. De overheidsinvesteringen in defensie en infrastructuur landen niet van de ene op de andere dag bij Nederlandse fabrieken; een flink deel van de orders gaat naar buitenlandse leveranciers of kent lange doorlooptijden. Het herstel is daarmee reeel maar traag, en gevoelig voor tegenvallers in de wereldhandel. Een nieuwe escalatie rond invoertarieven kan de net opgebouwde groei zo weer afremmen.
Wat betekent dit voor de praktijk op de werkvloer? Productieleiders doen er goed aan rekening te houden met aanhoudende prijsvolatiliteit bij staal, aluminium en chemische grondstoffen, zeker rond de nieuwe heffingsdata. Inkopers die afhankelijk zijn van geïmporteerd staal merken de hogere EU-heffing per 1 juli direct in hun calculaties. Wie kan, spreidt leveranciers en legt prijsafspraken voor langere periodes vast om verrassingen te dempen.
Voor de industrieproductie op de middellange termijn telt vooral of het binnenlandse herstel doorzet en of Europa zijn energie-intensieve basis weet te beschermen. De combinatie van CBAM, safeguards en oplopende defensievraag biedt de basismetaal enige bescherming, maar de chemie kampt met een structureler probleem dat met handelsmaatregelen alleen niet is opgelost. De industrieproductie groeit in 2026, maar het fundament blijft broos en de marges in de zware industrie staan onverminderd onder druk.
Dit artikel delen op je eigen website? Geen probleem, dat mag. Meer informatie.