Door: Redactie - 17 september 2026 |
De Europese chemie kruipt in 2026 uit haar diepste dal, maar het herstel voelt broos. Het ondernemersvertrouwen klom van min negentien naar min negen procent, terwijl de productie bleef dalen en fabrieken op zo’n driekwart van hun capaciteit draaien. Onder die cijfers ligt een hardnekkig probleem: de energiekostenkloof chemie die Europa scheidt van de Verenigde Staten. Voor de Nederlandse maakindustrie is dat geen ver-van-mijn-bedshow, maar een vraag over de eigen keten.
Cefic, de koepel van de Europese chemische industrie, schetst in zijn Chemical Trends Report over het eerste kwartaal van 2026 een sector die van contractie naar een pril, kwetsbaar herstel schuift. Het vertrouwen onder bedrijven verbeterde van min negentien procent in oktober 2025 naar min negen procent in april 2026, maar blijft dus negatief. De orderportefeuilles liggen nog altijd onder een normaal niveau. Tegelijk daalde de chemieproductie in het eerste kwartaal met 3,2 procent op jaarbasis en bleef de capaciteitsbenutting rond een historisch lage 74 procent hangen, ruim onder het langjarige gemiddelde en onder de rest van de Europese maakindustrie. Ook de handel kromp: de export daalde met 4,6 miljard euro en de import met 4,8 miljard euro. Dat de handelsbalans licht verbeterde, komt vooral doordat de import harder terugliep dan de export, niet doordat Europa concurrerender werd. Cefic spreekt daarom nadrukkelijk van een fase van broze ontwikkeling, geen echt herstel.
De rode draad door het rapport is de energiekostenkloof chemie. Al is de rust op de energiemarkten sinds de piek van 2022 grotendeels teruggekeerd, de Europese gas- en stroomprijzen liggen structureel hoger dan die van concurrerende regio’s. In de eerste vier maanden van 2026 betaalde de Europese industrie ongeveer 3,3 keer zo veel voor gas als de Amerikaanse. Voor de meeste maakbedrijven is energie een kostenpost, maar voor de basischemie is het een grondstof en de motor van het hele proces. Kraakinstallaties, kunstmestfabrieken en producenten van polymeren en organische basischemicaliën voelen dat verschil direct in hun marge. Het gevolg laat zich raden: minder productie, uitgestelde investeringen en een aanhoudende prikkel om nieuwe capaciteit buiten Europa neer te zetten. De kloof is geen momentopname maar een aanhoudend nadeel dat zich in elke investeringsbeslissing laat gelden.
Voor Nederland is het beeld scherper dan het Europese gemiddelde. Volgens Cefic kromp de Nederlandse chemieproductie in 2025 met 4,9 procent, tegen 2,4 procent voor de EU als geheel: twee keer zo hard. Clusters als Chemelot, het Rotterdamse havengebied en Terneuzen leveren de bouwstenen voor kunststoffen, coatings, kunstmest, medicijnen en batterijmaterialen. Wie die basis ziet wegvloeien, raakt niet alleen de chemie zelf. Een groot deel van de toeleverende en verwerkende industrie, van compounders en verpakkers tot machinebouwers, hangt aan diezelfde keten. Sluit een kraker of draait die op halve kracht, dan verschraalt het netwerk van leveranciers en onderhoudsbedrijven eromheen mee. En als grondstoffen in toenemende mate uit Azië of de VS moeten komen, verschuift de afhankelijkheid van de Nederlandse maakindustrie mee naar het buitenland. De vraag is niet langer alleen hoe het met de chemie gaat, maar wat een krimpende chemiebasis doet met de industrie die erop leunt.
De politiek onderkent het probleem inmiddels. Nederland sloot zich begin 2026 aan bij de Critical Chemicals Alliance, een Europees adviesorgaan dat voortkomt uit het chemie-actieplan van de Europese Commissie. Bij de start, bij Chemelot, noemde demissionair minister Sophie Hermans van Klimaat en Groene Groei de stap noodzakelijk om de afhankelijkheid van landen buiten de EU te verkleinen. De alliantie moet vaststellen welke stoffen en productielocaties zo strategisch zijn dat Europa ze niet mag laten verdwijnen. Het beleid rust op drie pijlers: energiekosten omlaag, minder regeldruk en betere bescherming tegen goedkope import. Toch is de alliantie een adviesorgaan zonder beslissingsmacht, en een plek op de lijst levert niet automatisch steun op. In het Europees Parlement klonk bovendien kritiek, onder meer van Bas Eickhout, die waarschuwde dat versoepeling van regels rond stoffen als PFAS de gezondheidsbescherming ondergraaft. De richting is duidelijk, het tempo en de hardheid van de maatregelen zijn dat veel minder.
Toch zou het te makkelijk zijn om alles op de gasprijs te schuiven. De vraag naar chemieproducten is zwak, er is wereldwijde overcapaciteit en vooral uit China stroomt goedkoop materiaal de Europese markt op. Daarbovenop komt het Europese emissiehandelssysteem, dat de sector extra kosten oplegt zolang concurrenten elders die last niet dragen. Ivan Pelgrims, bestuurder van Evonik Antwerpen, schetst een somber beeld: sommige installaties draaien nog maar op 65 procent, in extreme gevallen onder de 50 procent, en het dieptepunt is volgens hem nog niet bereikt. “Het gaat gewoon niet snel genoeg in Europa. En zolang dat zo blijft, is het einde van de crisis nog niet in zicht”, waarschuwt hij. Opvallend is dat het herstel ongelijk verloopt: Frankrijk groeit licht, terwijl Duitsland, Italië en Nederland blijven krimpen. In Duitsland trekt het vertrouwen zelfs aan terwijl de productie nog daalt, een teken dat sentiment en werkelijkheid uiteenlopen. De energiekloof is een zware, maar niet de enige verklaring.
Wie de balans opmaakt, ziet geen eenduidig verhaal. Het herstel van het vertrouwen is echt, maar broos, en het vertaalt zich nog niet in hogere productie of bezetting. De energiekostenkloof chemie is structureel en drukt zwaar op de energie-intensieve kern, terwijl zwakke vraag, overcapaciteit en handelsspanningen er even hard aan trekken. Het beleidsantwoord uit Brussel en Den Haag toont dat de urgentie is doorgedrongen, maar een adviesorgaan zonder doorzettingsmacht keert een structureel nadeel niet vanzelf. Voor de Nederlandse maakindustrie ligt de winst daarom niet in één knop. Wie afhankelijk is van een chemiebasis die twee keer zo hard krimpt als het Europese gemiddelde, doet er goed aan de eigen keten kritisch tegen het licht te houden: waar zit de kwetsbaarheid, en waar zit ruimte om waarde vast te houden terwijl de sector zich hervormt. Het antwoord op de crisis is minder een keerpunt dan een langzame herschikking, en die vraagt geduld van iedereen die aan de keten hangt.
De volledige cijfers staan in het Chemical Trends Report van Cefic, dat de sector zelf omschrijft als een broze verbetering in plaats van een echt herstel.