Door: Marc Vissers (Lenze) - 28 augustus 2026 |
Aandrijftechnologie en automatisering zijn niet langer alleen een technisch vraagstuk. In een markt waarin energie, arbeid en kennis schaarser worden, bepaalt de operationele basis steeds vaker of industriële bedrijven hun marge, leverbetrouwbaarheid en groeivermogen kunnen beschermen.
OT (Operationele technologie) in machines en processen gold jarenlang als het domein van specialisten: noodzakelijk, technisch en vooral operationeel. Die scheiding verdwijnt in hoog tempo. In een maakindustrie waarin energie onzeker blijft, arbeid structureel schaarser wordt, domeinkennis vergrijst en kapitaal scherper kijkt naar rendement, bepaalt de kwaliteit van de operationele basis steeds vaker de financiële bewegingsruimte van een onderneming.
Daarmee verschuift de operationele basis van fabriekstaal naar bestuurstaal. Niet omdat techniek op zichzelf belangrijker wordt, maar omdat de juiste askeuze , de best passende aandrijfas voor functie, belasting, energieprofiel en levenscyclus, direct doorwerkt in marge, leverbetrouwbaarheid en strategische wendbaarheid.
De vraag is dus niet meer óf bedrijven verder moeten digitaliseren. De vraag is of hun fundament sterk genoeg is om digitalisering ook daadwerkelijk in waarde om te zetten.
Want data levert pas waarde op als het fundament klopt. In veel fabrieken en machineplatformen is dat fundament historisch gegroeid: systemen naast systemen, varianten naast varianten, maatwerk bovenop maatwerk. De grootste hiaten zitten zelden in één machine of één technologie, maar in het systeem eromheen: te veel klantspecifieke uitzonderingen, beperkte standaardisatie in platformen, programmatuur en serviceprocessen, en kennis die te vaak in de hoofden van een kleine groep domeinspecialisten zit. Dat lijkt flexibel, totdat onderhoud duurder wordt, ontwikkelcapaciteit vastloopt, capaciteit niet schaalbaar blijkt en stilstandsrisico een financieel onderwerp wordt.
Precies daar ontstaat het concurrentierisico voor Europa: niet in een gebrek aan technologie, maar in een gebrek aan schaalbare eenvoud.
De volgende productiviteitsstap vraagt daarom niet om nóg een technologische laag, maar om discipline: vereenvoudigen, standaardiseren en modulariseren. Dat begint met het scherp maken van je portfolio, varianten als uitzonderingen, en vervolgens met het definiëren van herhaalbare bouwblokken voor engineering, software, service en upgrades. Ook het principe van de ‘best axis’ past heel goed in deze logica: niet elke beweging vraagt om meer techniek, maar om de best passende combinatie van performance, eenvoud, energie-efficiëntie en levenscycluswaarde. Niet als technische voorkeur, maar als bestuurskeuze. Wie complexiteit reduceert, verkort ontwikkeltijd, verlaagt foutkans, verhoogt uptime en maakt groei minder afhankelijk van schaarse capaciteit en van de paar domeinspecialisten die alles nog begrijpen.
Juist in tijden van personeelstekort en beperkte resources wordt dat essentieel. De uitdaging is niet alleen dat er te weinig engineers zijn, maar dat de benodigde domeinkennis steeds geconcentreerder en kwetsbaarder wordt. De oplossing is daarom niet om steeds méér te vragen van schaarse specialisten, maar om hun kennis te verankeren in standaarden, modules en herhaalbare concepten. Zo wordt expertise schaalbaar, overdraagbaar en minder afhankelijk van individuele beschikbaarheid.
De parallel met netcongestie is hier ook treffend. Ook daar blijkt de kernvraag niet welke technische oplossing het probleem kan oplossen, maar welke keuze continuïteit borgt, risico verlaagt en de businesscase aantoonbaar versterkt. Diezelfde verschuiving is nu nodig in automatisering. De discussie moet weg van investeringskosten alleen en toe naar total cost of ownership in de life-cycle: energieverbruik, onderhoud, stilstand, service, upgrades en flexibiliteit bepalen uiteindelijk het rendement.
Een concreet voorbeeld is een verpakkingsmachine waarin meerdere bewegingen historisch met dezelfde aandrijfoplossing waren uitgevoerd, terwijl niet elke as dezelfde dynamiek, nauwkeurigheid of belasting vroeg. Door per beweging opnieuw te kijken naar functie, cyclustijd en energieprofiel, kan de ene as eenvoudiger worden uitgevoerd en vraagt een andere juist om meer nauwkeurige regeling of juist een ander aandrijfconcept. Het effect zit dan niet alleen in lager energieverbruik, maar ook in minder warmteontwikkeling, minder slijtage en een stabieler proces. De keuze voor de juiste as wordt daarmee geen engineeringdetail, maar een directe hefboom op onderhoudskosten, beschikbaarheid als overzicht alsmede minder complexiteit in een toch vaak complexe omgeving.
Een tweede situatie zie je bij retrofit- of upgradeprojecten. Wanneer een machineplatform jarenlang steeds klant-specifiek is uitgebreid, ontstaat vaak een mix van varianten die service lastig maakt. Als dan één kritische beweging stilvalt, kost het eerst tijd om te begrijpen welke uitvoering precies is toegepast, welke softwarevariant draait en welke kennis nodig is om het probleem op te lossen. Door aandrijfasssen, softwarebouwblokken en serviceconcepten vooraf te modulariseren en standaardiseren, wordt storingzoeken sneller, voorraadbeheer eenvoudiger en de kans op langdurige stilstand kleiner. Ook hier zit de waarde dus niet in meer technologie, maar in beter organiseerbare complexiteit.
Daar wordt zichtbaar wie technologie verkoopt en wie waarde helpt organiseren; zowel bij nieuwbouw als bij remanufactoring.
Voor machinebouwers en industriële bedrijven betekent dit dat de discussie eerder in het traject moet worden gevoerd. Niet pas wanneer de techniek al is gekozen, maar op het moment dat de bedrijfsvragen nog open liggen: waar ontstaat kwetsbaarheid, waar verdwijnt marge, waar remt variatie de schaalbaarheid en welke bewegingen zijn werkelijk kritisch voor performance, energieverbruik, servicebaarheid en TCO?
Wie die vragen heel kritisch bekijkt, verschuift het gesprek van componentkeuze naar businesscase. Minder variatie, lagere levenscycluskosten, meer voorspelbaarheid en snellere schaalbaarheid worden dan het resultaat van bewuste ontwerpkeuzes. En vooral: minder afhankelijkheid van toeval, uitzonderingen, schaarse resources en geïsoleerde domeinkennis.
Dan spreken we niet meer over een technische nuance maar over concurrentiekracht. De winnaars van morgen zijn daarom niet de bedrijven met de meeste technologie, maar juist die bedrijven die technologie durven terug te brengen tot waar het in de bestuurskamer om draait: grip op kosten, continuïteit en schaalbare waarde. Want in de volgende fase van digitalisering wint niet wie het meeste toevoegt, maar wie het beste vereenvoudigt.