TNO: zonder robotisering verdwijnt de Nederlandse maakindustrie binnen tien jaar

De robotiseringsgraad van de Nederlandse maakindustrie is te laag om internationaal concurrerend te blijven. Dat concludeert TNO in een nieuw rapport. Nederland staat wereldwijd op de twaalfde plaats qua robotdichtheid, ver achter koplopers als Zuid-Korea en China. Zonder versnelde investeringen dreigen fabriekssluitingen, banenverlies en afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers.

De maakindustrie is goed voor 7,2 procent van het bruto binnenlands product en inclusief gerelateerde diensten naar schatting zo’n 20 procent van de Nederlandse economie. Maar die positie staat onder druk. Vergrijzing, personeelstekorten en hoge loonkosten vreten aan de concurrentiekracht. De productiviteitsgroei vertraagt al jaren. Volgens TNO moet de productiviteit van de industrie met 50 procent omhoog door verregaande automatisering en robotisering. En dat moet snel.

Nederland op de twaalfde plaats

In het rapport ‘Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk’ schetsen onderzoekers Tessa Bruijne, Corine Bonte en Claire Stolwijk een zorgwekkend beeld. Nederland telt 264 robots per 10.000 werknemers in de maakindustrie. Dat klinkt redelijk, maar koplopers als Zuid-Korea (1.012), Singapore (770) en China (470) zijn ver vooruit. Ook Duitsland (429) en Japan (419) scoren aanzienlijk hoger.

De gemiddelde robotdichtheid in de maakindustrie bedraagt wereldwijd inmiddels 177 robots per 10.000 werknemers. Azië groeit het hardst, met een samengesteld jaarlijks groeipercentage van 12 procent tussen 2019 en 2024. Europa volgt met 7 procent groei. Het aantal operationele industriële robots steeg in 2023 tot 4,28 miljoen eenheden wereldwijd — een verdubbeling ten opzichte van tien jaar geleden.

Dreigende scenario’s op drie termijnen

TNO schetst wat er gebeurt als Nederland niet investeert in robotisering, en verdeelt de gevolgen over drie termijnen. Op de korte termijn, binnen twee jaar, ontstaan knelpunten door arbeidskrapte. Stijgende kosten en inefficiënte productie zijn het gevolg. Productieprocessen blijven onnodig traag, wat leidt tot langere levertijden en hogere fout- en faalkosten.

Op de middellange termijn, binnen vijf jaar, groeit de concurrentieachterstand. Productielijnen verouderen, bedrijven missen belangrijke productiviteitsgroei en machines lopen risico stil te vallen doordat software en onderdelen verouderen.

Op de lange termijn, binnen tien jaar, dreigt structurele afbraak van de maakindustrie. Niet-geautomatiseerde bedrijven verliezen het van internationale concurrenten die dankzij robotisering goedkoper en sneller produceren. Dat kan leiden tot fabriekssluitingen, banenverlies en afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers.

China als robotica-supermacht

De internationale dynamiek maakt de urgentie extra voelbaar. China domineerde in 2023 de markt voor robotinstallaties met 51 procent van het wereldwijde totaal. De operationele robotvoorraad in China groeide met 17 procent. Opvallend is dat steeds meer van die robots van Chinese makelij zijn: in 2024 kwam 57 procent van de installaties uit China zelf, terwijl dat in 2013 nog maar 25 procent was.

China investeert de komende twintig jaar zo’n 137 miljard euro in robots, AI en baanbrekende innovaties. Het land is daarmee hard op weg om een robotica-supermacht te worden. Tegelijkertijd groeit het aantal Chinese producenten van humanoïde robots explosief, mede gestimuleerd door substantiële overheidssubsidies.

De industriële robotmarkt wordt nog steeds gedomineerd door de traditionele grote vier: FANUC en Yaskawa uit Japan, ABB uit Zwitserland en KUKA uit Duitsland — al is KUKA sinds 2016 in Chinese handen na de overname door Midea. Chinese producenten als ESTUN Automation, SIASUN Robot & Automation en EFORT Intelligent Equipment zijn echter hard op weg de top 10 te veroveren. In Europa worden robots vooralsnog weinig ingekocht bij Chinese producenten, maar dat kan veranderen.

Vijf categorieën robots

Het rapport beschrijft vijf belangrijke categorieën robots voor de maakindustrie. Stationaire, taakgerichte robots zijn het meest gangbaar. Ze voeren één specifieke taak uit met hoge precisie binnen een afgeschermde productielijn, ideaal voor bedrijven die voornamelijk hetzelfde product produceren. Ze zijn echter minder geschikt voor het MKB met een high-mix low-volume strategie.

Adaptieve robots zijn flexibeler. Ze kunnen taken met meer variatie uitvoeren en zich aanpassen aan veranderende omstandigheden. Dankzij AI worden ze steeds slimmer: ze kunnen objecten herkennen, leren van fouten en voorspellend onderhoud uitvoeren. De omsteltijd — hoe snel een robot kan wisselen tussen product A en product B — is daarbij een belangrijk aspect.

Collaboratieve robots, oftewel cobots, zijn ontworpen om veilig naast mensen te werken. Ze hebben ingebouwde kracht- en snelheidslimieten en zijn relatief goedkoop en eenvoudig te installeren. Juist bij het MKB groeit de inzet van cobots, vanwege de lagere kosten, plug-and-play installatie en flexibele inzetbaarheid.

Digitale of softwarematige robots hebben geen fysieke vorm maar voeren taken uit in digitale omgevingen. Denk aan Robotic Process Automation voor factuurverwerking. Cloudrobotica breidt de capaciteiten van fysieke robots uit door zware berekeningen naar de cloud te verplaatsen.

Tot slot zijn er opkomende robots als humanoïden en zwermrobots. Humanoïde robots hebben een mensachtig uiterlijk en worden met name in de VS en Azië ontwikkeld. In het Nederlandse MKB functioneren momenteel slechts vijf à zes humanoïden als demonstratiemodel, al is de interesse groot. Zwermrobots, geïnspireerd op vogelzwermen of mierenkolonies, bevinden zich nog in de experimentele fase. In Delft is in 2023 het Swarming Lab gestart voor onderzoek naar deze technologie.

Succesverhalen uit de praktijk

Het rapport bevat verschillende praktijkcasussen die laten zien dat robotisering werkt. Beddenfabrikant Auping uit Deventer ontwierp samen met systeemintegrator Robotize een volledig gerobotiseerde productielijn voor circulaire matrassen. De lijn kan 9.600 verschillende matrasvarianten aan en produceert één matras per minuut. Voor 2024 gebeurde de productie grotendeels handmatig.

Spuitmondenfabrikant Fluidics Instruments uit Eindhoven plaatste samen met systeemintegrator Gibas Automation zeven cobots in een assemblagestation. Het resultaat: van 300 spuitmonden per week met 40 mensen naar 20.000 per week met 30 mensen.

Vurenhoutleverancier Gooskens Hout verwerkt dankzij gerichte investeringen in moderne machines en digitalisering inmiddels 230.000 kubieke meter hout met 80 medewerkers, waar tien jaar geleden 90.000 kubieke meter met 45 mensen werd verwerkt. De output per werknemer steeg met 44 procent.

Tekort aan system integrators

Een opvallende constatering in het rapport is het tekort aan system integrators in de waardeketen. Dit zijn de partijen die robots helpen implementeren in het bredere productieproces. Zij vormen de schakel tussen robotproducenten en eindgebruikers, maar zijn beperkt aanwezig in Nederland. Bovendien richten ze zich meestal op eenmalige implementatie, terwijl er ook behoefte is aan onderhoud en nazorg.

Het rapport signaleert daarnaast dat veel bedrijven worstelen met het digitaliseren van hun basisprocessen. Juist die digitalisering vormt een essentiële voorwaarde om stappen richting robotisering te zetten. Automatisering is weliswaar breed toegepast, maar de daadwerkelijke inzet van robots blijft beperkt. Binnen de maakindustrie vindt robotisering vooral plaats in de interne logistiek, bijvoorbeeld met Automated Guided Vehicles.

Weerstand op de werkvloer

Een thema dat terugkomt bij de geïnterviewde experts is de angst voor baanverlies. Die angst blijkt vooralsnog ongegrond: cijfers over de arbeidsmarkt geven geen indicatie dat robots menselijk werk op grote schaal verdringen. Wel verandert het type werkzaamheden. Medewerkers verschuiven van uitvoerend productiewerk naar kwaliteitscontrole, procesbewaking en het instrueren van robots.

TNO onderscheidt twee visies bij bedrijven. De ene stelt dat werk moet worden weggeautomatiseerd, de andere dat werk zorgt voor betekenisgeving. Bedrijven die het tweede principe centraal stellen, vinden succes met programma’s als ‘leven lang leren’. Het rapport benadrukt dat een goede introductie van robots bij personeel cruciaal is. Door medewerkers vroeg bij het veranderproces te betrekken, kan weerstand worden voorkomen.

Zeven aanbevelingen

Het rapport sluit af met zeven concrete aanbevelingen. De eerste is het opstellen van een nationale robotiseringsagenda met duidelijke langetermijndoelen, gecoördineerd door een centrale taskforce die de uitvoering bewaakt. De tweede betreft communicatie en bewustwording, inclusief transparante inzichten in de Return on Investment en praktische, sectorgerichte handreikingen.

De derde aanbeveling richt zich op standaardisatie en open source. Gebrek aan standaardisatie belemmert de integratie van robots en leidt tot vendor lock-in. Open-source oplossingen moeten actief worden gestimuleerd om interoperabiliteit te vergroten.

Vierde punt: het versterken van het Nederlandse ecosysteem. Door gericht te investeren in strategische niches en door de vraag naar robotica-implementaties per sector te bundelen, ontstaat schaalgrootte die system integrators aantrekt.

De vijfde aanbeveling betreft onderwijs en arbeidsmarkt. Robotica-competenties moeten een verplicht onderdeel worden van technische opleidingen. Structurele samenwerking tussen maakbedrijven en mbo-, hbo- en wo-instellingen moet de doorlopende leerlijn borgen.

Zesde: Nederland moet zich internationaal profileren als proeftuin voor high-mix low-volume robotisering en de Europese samenwerking intensiveren. Het rapport noemt ook het concept ‘lazy robotics’ als onderscheidende Nederlandse niche — robots die intelligenter worden door minder te doen, als alternatief voor datagedreven AI.

De zevende en laatste aanbeveling richt zich op versnelling bij het MKB. Laagdrempelige fieldlabs, vouchers en flexibele financieringsvormen zoals Robotics-as-a-Service moeten de drempel verlagen. Door sectorbreed samen te werken in plaats van individueel te opereren, kunnen bedrijven kennis, kosten en risico’s delen.

Geen optie meer, maar randvoorwaarde

Het rapport verschijnt op een moment dat de urgentie breed wordt gevoeld. Op 30 maart werd de Smart Industry Productiviteitsagenda 2026-2028 gepresenteerd, met een vergelijkbare boodschap. Mark Courage, directeur Smart Industry bij TNO, formuleerde het bij die gelegenheid helder: robotisering is geen optie meer maar een randvoorwaarde voor het voortbestaan van de Nederlandse maakindustrie.

De boodschap van TNO is duidelijk. Nederland heeft sterke kaarten in handen: een krachtig ecosysteem, intensieve samenwerking tussen industrie en kennisinstellingen, en hoogwaardige systeemintegratiecapaciteiten. Maar zonder versnelde actie op robotisering dreigt de maakindustrie dezelfde afbraak te ervaren als delen van de procesindustrie eerder ondergingen. De klok tikt.

Dit artikel delen op je eigen website? Geen probleem, dat mag. Meer informatie.


Avatar foto

Erik de Jong (Advercom)

Erik bevindt zich al ruim 18 jaar in de uitgeefwereld. Hij studeerde HEAO Bedrijfseconomie en was betrokken bij het industriële automatiseringsvakblad Automatie|PMA en het vakblad Vision+Robotics. In 2020 richtte hij samen met Yuk Chi Kan het online nieuwsplatform IndustrieVandaag op. Momenteel is Erik uitgever bij Industrievandaag.nl, waar hij zijn uitgebreide kennis van online uitgeven, SEO, GEO en AI inzet. Zijn bedrijfseconomische achtergrond en jarenlange betrokkenheid bij industriële automatisering maken hem een inhoudelijk onderbouwde bron binnen het vakgebied van industriële technologie en digitale publicatie.
Lees meer van: Erik de Jong (Advercom)

Productie industrie - Uitgelicht

Digitale Nieuwsbrief

SCHRIJF JE IN VOOR ONZE WEKELIJKSE NIEUWSBRIEVEN EN BLIJF OP DE HOOGTE VAN ALLE INDUSTRIËLE EN TECHNISCHE ONTWIKKELINGEN!

MAANDAG: EVENTS OVERZICHT
VRIJDAG: NIEUWS OVERZICHT

Door jouw inschrijving voor de nieuwsbrief, ga je akkoord met onze privacy voorwaarden.