Door: Erik de Jong (Advercom) - 17 april 2026 |
De energie-intensieve industrie in Nederland staat voor een van de zwaarste transitie-uitdagingen in decennia. Minister Stientje van Veldhoven-van der Meer en staatssecretaris Jo-Annes de Bat stuurden op 10 april 2026 een uitgebreide Kamerbrief naar de Tweede Kamer met een breed pakket aan maatregelen voor de verduurzaming van de industrie. Van de definitieve afschaffing van de nationale CO2-heffing tot nieuwe maatwerkafspraken en een forse investering in lagere elektriciteitskosten: het kabinet kiest voor een nieuwe balans tussen concurrentievermogen, duurzaamheid en weerbaarheid.
De energie-intensieve industrie (EII) verkeert in zwaar weer. Hoge energieprijzen, oneerlijke concurrentie uit derde landen en de koolstofbeprijzing via het Europese emissiehandelssysteem (EU-ETS) vormen samen een combinatie die de internationale concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven fors verzwakt. Investeringen blijven daardoor uit, terwijl de verduurzaming van de industrie juist grootschalige kapitaalinzet vereist.
De situatie wordt verder bemoeilijkt door de gevolgen van het gewapend conflict in het Midden-Oosten, dat verstoringen veroorzaakt in internationale toeleveringsketens en de energieprijzen opdrijft. Bedrijven die willen investeren in schonere productietechnologieën wachten op zekerheid: over terugverdientijden, over concurrentiedruk en over de langetermijnstabiliteit van het beleid.
Het kabinet erkent dat de randvoorwaarden voor de EII verbeterd moeten worden. Daarvoor kiest het voor een driehoek van verduurzaming, concurrentievermogen en weerbaarheid, waarbij de drie pijlers elkaar versterken in plaats van tegenwerken. Het conflict in het Midden-Oosten maakt de kwetsbaarheid van onze industriële ketens des te duidelijker en geeft deze driehoek extra urgentie.
Het Europese niveau biedt de schaalgrootte en economische slagkracht die nodig zijn voor een gelijk speelveld. Het kabinet zet in op aanpassingen binnen het EU-ETS en de koolstofheffing aan de grens (CBAM) om alle sectoren binnen de EII betere marktbescherming te bieden.
Een van de Europese instrumenten met groot potentieel is de Industrial Accelerator Act (IAA), die de Europese Commissie op 4 maart 2026 als voorstel publiceerde. De IAA heeft als doel de vraag naar Europees geproduceerde, koolstofarme producten te stimuleren via overheidsopdrachten en productnormering. Het kabinet heeft in een BNC-fiche zijn Nederlandse inzet rond de IAA uiteengezet. Brancheorganisatie VNO-NCW plaatst daarbij kanttekeningen: de IAA heeft de goede koers, maar heeft nog te weinig concrete impact voor de Nederlandse industrie, die verantwoordelijk is voor bijna een kwart van alle nationale emissies.
Het kabinet wil via de IAA drie resultaten bereiken: versnelling van vergunningverlening voor verduurzamingsprojecten, meer Europese productnormering en een sterkere clusterbenadering voor industriegebieden. Die clusterbenadering mag niet leiden tot extra regeldruk, maar moet juist voordelen opleveren door schaalvergroting en onderlinge samenwerking tussen bedrijven.
Op nationaal niveau neemt het kabinet een reeks maatregelen om de concurrentiepositie van de EII te verbeteren. De meest directe ingreep is de afschaffing van de nationale CO2-heffing, die Nederlandse bedrijven op achterstand zette ten opzichte van concurrenten elders in Europa.
Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten voor de EII. Hiervoor reserveert het kabinet voor de periode 2026 tot en met 2035 een fors budget, dat oploopt tot 1 miljard euro per jaar vanaf 2029. Dat is geen overbodige maatregel: nettarieven voor elektriciteit nemen volgens de FIEN-2026 prognoses jaarlijks met 3,7 tot 6,3 procent toe, waardoor de tarieven in 2040 naar verwachting ruim het dubbele kunnen zijn van het huidige niveau.
Als eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra (sub)sectoren. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. De uitbreiding vergroot de uitvoeringsdruk, waardoor de uitbetaling van de komende twee openstellingsrondes enkele maanden vertraging oploopt. Aanvullende bestedingsopties voor de beschikbare envelop voor elektriciteitskosten werkt het kabinet verder uit en presenteert het voor Prinsjesdag aan de Kamer.
De jaarlijkse speelveldtoets monitort hoe klimaatbeleid de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie beïnvloedt. De speelveldtoets 2026 laat zien dat lagere elektriciteitskosten én verduurzamingssubsidies samen nodig zijn om projecten rendabel te maken. Knelpunten als ontbrekende infrastructuur en trage vergunningstrajecten blijven vooralsnog bestaan.
De verduurzaming van de industrie vraagt samenwerking en langdurig commitment van alle betrokken partijen. Het kabinet zet de bestaande maatwerkafspraken voort, maar verlegt de focus naar een clusterbenadering. Met de vergroening van Tata Steel, Alco Energy Rotterdam en AnQore tekende het kabinet al een Joint Letter of Intent. Met Cosun staat een definitieve maatwerkafspraak op papier en met Nobian maakte het kabinet eerder al een bindende afspraak. Yara ontving een maatwerksubsidie.
Nieuwe maatwerkafspraken richten zich voortaan op clusters en geografische gebieden, waarbij alleen middelen uit generieke regelingen beschikbaar zijn. De vijf grote industrieclusters, die de Ontwerpnota Ruimte aanwijst als gebieden van nationaal belang, vormen hiervoor de basis. Per cluster werkt het kabinet aan een ruimtelijk-economische strategie die keuzes over infrastructuur en nieuwe vestigingen stuurt.
Het industriepark Chemelot in Limburg werkt al enige tijd aan een clusterplan, in opdracht van de provincie Limburg en het ministerie van EZK. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) onderschrijft de potentie van een clusterbenadering, maar waarschuwt ook dat de aanpak complexer is dan de bestaande maatwerkaanpak en specifieke financiering vereist. Het kabinet gaat daarmee aan de slag en voert al verkennende gesprekken met meerdere clusters.
De Kamerbrief maakt duidelijk dat elektrificatie de voornaamste verduurzamingsroute is voor de EII. Een groot deel van de industriële processen kan technisch al geëlektrificeerd worden. Het kabinet zet in op uitvoering van de Actieagenda Elektrificatie Industrie en onderzoekt in hoeverre bestaande regelingen als SDE++, NIKI, VEKI en DEI+ optimaal inzetbaar zijn voor industriële elektrificatie.
De Flex-e regeling, die bedrijven compenseert voor flexibel stroomgebruik, ontwikkelt het kabinet verder door. Voor de voortzetting van Flex-e én een uitbreiding met een XL-onderdeel voor de EII, met hogere steunbedragen, is in totaal 198,9 miljoen euro nodig voor de periode 2027 tot en met 2030. Het kabinet heeft dit bedrag opgenomen in het Meerjarenprogramma van het Klimaat- en energiefonds, maar heeft er nog geen budget voor toegekend.
Aanvullend werkt het kabinet samen met Invest-NL aan een cPPA-garantiefonds. Veel bedrijven, met name in het mkb en de industrie, beschikken over onvoldoende kredietwaardigheid om langdurige afnamecontracten voor duurzame elektriciteit (corporate Power Purchase Agreements) af te sluiten. Financiers stappen dan niet in, waardoor kansrijke projecten stranden. Het garantiefonds dekt een deel van dat kredietrisico af, zodat meer duurzame energieprojecten van de grond komen. De eerste pilots staan gepland voor 2027.
Voor waterstof laat het kabinet onderzoek uitvoeren naar alternatieven voor groene waterstof, gezien de hoge kostprijs. Het eindrapport ‘MCA waterstofproductietechnieken’ gaat mee met de Kamerbrief als bijlage. In het najaar volgt een aparte Kamerbrief over koolstofarme waterstof, waaronder blauwe waterstof en andere varianten.
De NIKI-regeling (Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie), gericht op de commerciële opschaling van innovatieve verduurzamingstechnieken, kende bij de eerste openstelling in 2025 een overweldigende belangstelling. Bedrijven vroegen in totaal 364 miljoen euro aan subsidie aan, terwijl slechts 211 miljoen euro beschikbaar was. Die overinschrijving laat zien hoeveel potentie er in de markt zit, maar ook hoe groot de financieringsbehoefte is bij bedrijven die willen verduurzamen.
Het meest opvallende project uit de eerste ronde is Reju, dat een positieve beschikking ontving voor 135 miljoen euro. Reju verwerkt op grote schaal afgedankt textiel tot nieuwe circulaire grondstoffen voor polyesterproductie. Daarmee vermindert het bedrijf de CO2-uitstoot en houdt het waardevolle materialen in de keten. Reju is een concreet voorbeeld van hoe industriële transitie en circulaire economie samen kunnen optrekken. Op basis van de eerste ervaringen verbetert het kabinet de regeling nu verder, met het oog op een tweede openstelling in het najaar van 2026.
Twee knelpunten vertragen de verduurzaming van de industrie al jaren: stikstof en netcongestie. Een groot deel van de Nederlandse industrie ondervindt de gevolgen van de stikstofcrisis: vergunningen komen niet los, waardoor investeringen en verduurzamingsprojecten stilliggen. Het kabinet reserveert 250 miljoen euro voor stikstofbronmaatregelen in de sectoren industrie en mobiliteit. De besluitvorming hierover vindt plaats met Prinsjesdag 2026.
In de Rotterdamse Haven loopt al een gebiedsgerichte stikstofaanpak, waarbij Rijk, provincie en bedrijfsleven samenwerken om vergunningverlening los te trekken. De aanpak richt zich op extra natuurherstel in en rondom de Natura 2000-gebieden die relevant zijn voor de haven.
Netcongestie vormt een tweede structureel obstakel. Cluster 6-bedrijven, de middelgrote industriële bedrijven buiten de vijf grote clusters, ervaren hoge kosten voor verzwaring van hun netaansluiting, omdat ze relatief ver van een onderstation liggen. InvestNL onderzoekt de verschillende financieringsmogelijkheden om dit knelpunt op te lossen. Ondanks deze drempels maken cluster 6-bedrijven al goede voortgang: ze zijn als groep een van de grootste afnemers van de SDE++, VEKI en ISDE-subsidies.
De Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR) publiceerde in januari 2026 het advies ‘Kiezen of verliezen’, dat stelt dat de industriële verduurzaming met het huidige beleid onvoldoende van de grond komt. De Raad adviseert om actief te kiezen voor industrietakken die passen in een klimaatneutraal Nederland en gerichte steun te geven aan die toekomstbestendige activiteiten, met oog voor gezondheid, werkgelegenheid en strategische autonomie.
Het kabinet herkent het beeld dat de concurrentiepositie van de EII onder druk staat. Tegelijkertijd wijst het erop dat objectiveerbare keuzes voor specifieke industrietakken in de praktijk complex zijn: waardeketens zijn internationaal verweven, technologische ontwikkelingen zijn onzeker en bedrijven nemen uiteindelijk zelf investeringsbeslissingen. Het beleid richt zich primair op het creëren van randvoorwaarden waarbinnen duurzame activiteiten zich kunnen ontwikkelen, aangevuld met positieve keuzes voor strategisch belangrijke sectoren zoals groene chemie en circulaire materialen.
Rond de zomer van 2026 publiceert het kabinet de actualisatie van het Nationaal Programma Energiesysteem, met een visie op het energiesysteem in 2040 en verder. In 2027 volgen sectorale transitiepaden als onderdeel van de klimaatbesluitvorming. De industriële verduurzaming van Nederland is daarmee een langdurig proces, gedreven door nauwe samenwerking tussen overheid, industrie en wetenschap, met als einddoel een concurrerende en weerbare industrie voor de lange termijn.