Industrie heeft nauwelijks purpose

339
Purpose
Illustratie: AngleStudio / Shutterstock.com

Deze column is geschreven naar aanleiding van het recent verschenen boek: Henk W. Volberda (c.s.), De winst van purpose – Hoe ondernemingen het verschil kunnen maken, Mediawerf Uitgevers 2022. Als ik zo’n ondertitel lees denk ik meteen wèlk verschil, maar dit terzijde.

Purpose is natuurlijk het trefwoord en als je je afvraagt wat daarmee bedoeld wordt zit je meteen midden in het boek. De neutrale betekenis van het woord is doel, bedoeling. Purpose-gedreven ondernemingen doen wat er toe doet! Maar ja, wat is dat? Dan duikt vrijwel meteen de tegenstelling weer op tussen shareholders en stakeholders of is er geen tegenstelling tussen aandeelhouders en andere belanghebbenden? De klassieke doelstelling is natuurlijk winstmaximalisatie, maar het klassieke is ouderwets aan het worden.

Wat is de maatschappelijke verdienste, de bijdrage aan de samenleving? Zo bezien is de titel van het boek een woordspeling. Purpose wordt dan niet meer in de neutrale betekenis gebruikt maar als alternatief voor winst. OK, je maakt winst maar heb je ook een (andere) purpose? Dan krijgt ons trefwoord de betekenis van maatschappelijke impact.

Het boek telt ruim 200 bladzijden en de kern bestaat uit zes hoofdstukken. Het uitgevoerde onderzoek bestaat uit twee delen: een kwantitatief en een kwalitatief. Het cijfermatige deel is gebaseerd op bestaande databases met kenmerken van veel Nederlandse bedrijven. Kan hieruit worden afgeleid of en zo ja in welke mate ondernemingen purpose-gedreven zijn? Tweederde is dominant op winst gericht. Dit is een gemiddelde over een aantal branches en sectoren. De sector “industrie” spant de kroon in negatief purpose-opzicht: negen van de tien industriële bedrijven zijn gericht op niet meer dan economische doelen.

Zou voorspeld kunnen worden of ondernemingen zich in de goede purpose-richting aan het ontwikkelen zijn? De auteurs hebben hier wel aanwijzingen voor gevonden maar schrijven er meteen bij dat er geen of weinig causaliteit is. Dan moet je je als lezer afvragen wat je er wijzer van wordt. Als vast staat dat een aantal mensen met rood haar gezond leven dan betekent dit allerminst dat mensen met blond haar dat niet doen en dus ongezond leven.

Om een vollediger beeld te krijgen is er ook een zogenoemd kwalitatief onderzoek gedaan. Dat wordt in wetenschappelijke kringen zogenoemd om de tegenstelling aan te geven met op cijfers en statistieken gebaseerd onderzoek. De auteurs spreken van casestudies en daarmee bedoelen ze interviews. Ze hebben van tien ondernemingen gemiddeld zo’n vijf betrokkenen gesproken of laten interviewen. Die ondernemingen zijn ABN AMRO, Havenbedrijf Rotterdam, Heineken Nederland, KLM, NXP Semiconductors, Philips, Protix, PwC, Randstad en Shell Nederland. Dit laat een mooie spreiding zien over diverse branches en sectoren, maar één of twee ondernemingen hoeven natuurlijk niet representatief te zijn voor het geheel.

Het viel niet mee om in coronatijd met vijf auteurs en enkele assistenten een boek samen te stellen en dat kan niet onopgemerkt blijven. Niet zelden worden worsten van zinnen afgewisseld met simpele herhalingen. Er zitten meer dan incidenteel taal- en drukfouten in de tekst en ook inhoudelijk zijn er tegenstrijdigheden. Bijvoorbeeld eerst gaat het over “dividendrente” afschaffen (blz. 9) maar enkele pagina’s verder (blz. 14) gelukkig over het afschaffen van dividendbelasting. Op bladzijde 100 staat dat niet alle veranderingen purpose-gedreven zijn maar vooral worden ingezet om te voldoen aan eisen van de AFM en andere toezichthouders terwijl verderop in het boek (blz. 144) als purpose-gedreven compliment het tegen gaan van witwassen wordt genoemd. Wie dit boek met wetenschappelijke bedoelingen gebruikt zal het niet handig vinden dat het notenapparaat met literatuur- en andere verwijzingen zich slechts in twee stappen laat ontsluiten. Je moet eerst achter het betreffende hoofdstuk kennis nemen van de verkorte verwijzing om daarmee dan achter in het boek de volledige literatuurverwijzing op te zoeken.

Dat is allemaal nog tot daar aan toe. Maar inhoudelijke juridische onzin van het volgende soort hoop ik toch niet veel vaker tegen te komen. “Hoewel aandeelhouders eigenaren zijn, …” (blz. 45). Even goed opletten. De rechtspersoon, dat is bijvoorbeeld de naamloze of besloten vennootschap, is de eigenaar van de onderneming. Binnen de rechtspersoon is er een door wetgeving en statuten gereguleerde besluitvorming. Dit wordt wel governance genoemd waarin de vergadering van aandeelhouders een eigen maar lang niet altijd beslissende rol speelt.

Wie van u lezers wil nadenken over purpose in praktische zin zou om te beginnen de managementsamenvatting en de interviewfragmenten in hoofdstuk 4 kunnen lezen. Winstmaximalisatie als enig doel is zo langzamerhand niet meer van deze tijd. Een nevengeschikte economische en sociale purpose begint het nieuwe normaal te worden. Een maatschappelijk hoofddoel met een ondersteunende financieel-economische doelstelling is nog wel heel bijzonder. In dit kader is de volgende zin een mooie afsluiter. “Paradoxaal genoeg kan minder focus op aandeelhouders dus gepaard gaan met hogere bedrijfsprestaties wat zich kan vertalen in meer aandeelhouderswaarde.” (blz. 78). Er is nog hoop.

Auteur: Prof. em mr Antoni Brack

Lees ook:

close

Digitale Nieuwsbrief

SCHRIJF JE IN VOOR ONZE WEKELIJKSE NIEUWSBRIEF EN BLIJF OP DE HOOGTE VAN ALLE INDUSTRIËLE EN TECHNISCHE ONTWIKKELINGEN!

Door jouw inschrijving voor de nieuwsbrief, ga je akkoord met onze privacy voorwaarden.