Home » Dossier » Energietransitie / Elektrificatie » CCS blijft grootste motor achter CO2-reductie industrie
Door: Redactie - 29 oktober 2026 |
RVO ziet de verduurzaming van de Nederlandse industrie duidelijk vertragen. Uit nieuwe gesprekken met 65 grote bedrijven blijkt dat de verwachte CO2-reductie in 2030 daalt van 17,2 naar 13,3 Mton. Bedrijven stellen investeringsbesluiten uit, netcongestie remt elektrificatieplannen en CCS-projecten lopen vast op infrastructurele onzekerheid. De overheidssteun bij deze knelpunten vinden veel bedrijven ontoereikend, terwijl de rentabiliteit van verduurzaming verder onder druk komt.
Elk jaar vraagt RVO de grootste CO2-uitstoters in de industrie naar hun verduurzamingsplannen, in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, VNO-NCW en VEMW. Dit jaar deden 65 bedrijven mee aan de interviews, samen verantwoordelijk voor ongeveer 80% van de CO2-uitstoot in de industrie. RVO voerde de gesprekken tussen februari en april via eigen accounthouders, die de sectoren en de bedrijven goed kennen. Dat blijkt uit de nieuwste rapportage van RVO over verduurzamingsprojecten en knelpunten in de industrie. De bedrijven noemen 263 concrete projecten die in 2030 moeten zorgen voor 13,3 Mton CO2-reductie. Van dat totaal geldt 6,0 Mton als zeker en 4,6 Mton als waarschijnlijk; de resterende 2,6 Mton noemen de bedrijven zelf onzeker. De achttien Top-15 ETS-bedrijven nemen met 9,5 Mton het grootste deel van de reductie voor hun rekening, tegen 1,9 Mton bij de overige ETS-bedrijven en 1,8 Mton bij de afvalverbrandingsinstallaties. Vorig jaar telden dezelfde soort projecten nog op tot 17,2 Mton, dus het verschil is 3,9 Mton. Bedrijven stellen een deel van hun projecten uit tot na 2030 (-4,0 Mton) of schrappen ze helemaal (-1,3 Mton). Daar staat een kleine toename tegenover door nieuwe projecten (+0,9 Mton) en versnelde projecten (+0,9 Mton). Het indicatieve restemissiedoel voor de industrie in 2030 ligt op 28,8 Mton CO2-eq, bijna de helft lager dan de uitstoot in 2021. Het huidige tempo van de energietransitie in de industrie ligt daarmee te laag om dat doel nog te halen.
Van alle technieken levert CCS de grootste bijdrage aan de CO2-reductie in 2030. De bedrijven noemen 14 CCS-projecten, goed voor 4,96 Mton reductie, met een gemiddelde omvang van 354 kiloton per project. Dat is fors groter dan projecten op het gebied van restwarmte en energie-efficiëntie: daar staan 100 projecten gepland, maar die leveren gemiddeld maar 13,7 kiloton per project op. De bijdrage van CCS valt dit jaar wel lager uit dan in de interviews van 2025. Bedrijven noemen vooral de vertraging bij Aramis, het project voor CO2-opslag onder de Noordzee, als reden. Afvalverbrandingsinstallaties zetten daarnaast in op CCS, maar lopen aan tegen onzekerheid over de zogeheten bioswap: de administratieve verrekening tussen fossiele en biogene CO2, die de EU ETS op dit moment niet toestaat. Elektrificatie telt 71 projecten op voor 2,42 Mton reductie, overige technieken zoals biomassa en lachgasreductie 58 projecten voor 2,86 Mton en waterstof 20 projecten voor 1,67 Mton. Elektrificatie en energie-efficiëntie leveren bij de ETS-bedrijven in de procesindustrie buiten de top 15 de grootste reductie op, terwijl CCS vooral bij de grootste uitstoters en de afvalverbrandingsinstallaties de belangrijkste techniek blijft. Cluster 6-bedrijven, gevestigd buiten de vijf grote industrieclusters, zetten tot 2030 vooral in op elektrificatie; pas daarna krijgt CCS bij een aantal afvalverbrandingsinstallaties binnen die groep een grotere rol.
Bedrijven plande vorig jaar voor 2025 investeringsbesluiten die moesten leiden tot 3,7 Mton CO2-reductie. Uiteindelijk namen ze besluiten voor maar 0,8 Mton. Van de vijf grootste projecten met een geplande beslissing in 2025, goed voor 2,2 Mton, schrapten bedrijven er twee en stelden ze drie uit, waarvan één tot na 2030. Ook voor 2026 schuift veel op: vorig jaar stond er nog 6,4 Mton aan besluiten gepland, nu nog maar 2,6 Mton. Bedrijven verwachten een groot deel van die besluiten nu in 2027 te nemen: voor dat jaar noemen ze inmiddels 4,1 Mton aan verwachte CO2-reductie, twee keer zoveel als vorig jaar voor 2027 werd genoemd. Achter dit uitstel zit een negatief sentiment over de rentabiliteit: ongeveer driekwart van de bedrijven beoordeelt verduurzamingsinvesteringen in Nederland als slecht of zeer slecht vergeleken met andere investeringsmogelijkheden, een somberder beeld dan in 2024 en 2025. In 2024 gaf nog een klein deel van de bedrijven een ruime voldoende voor de rentabiliteit; dit jaar is dat aandeel nog verder weggezakt. Hoge energie- en netwerkkosten spelen daarbij een grote rol. Een bedrijf noemt het een catch 22: de kosten van CO2-reductie liggen hoger dan de ETS-kosten, en ook die ETS-kosten kunnen bedrijven niet doorberekenen omdat de CO2-uitstoot niet daalt. Een deel van de bedrijven wijst ook op het afschaffen van de CO2-heffing, wat de businesscase van lopende projecten juist verzwakt.
Van de 65 ondervraagde bedrijven geven 43 aan dat ze een grotere elektriciteitsaansluiting nodig hebben om hun elektrificatieplannen te realiseren. 28 van hen staan daarvoor op een wachtlijst. Dat betekent niet automatisch vertraging: zestien bedrijven verwachten die grotere aansluiting nog voor 2030, en nog eens vijftien rekenen op realisatie in de periode 2030-2035. Dertig bedrijven onderzoeken ondertussen alternatieven zoals flexibilisering van het elektriciteitsgebruik, groepscontracten en batterijopslag. 24 bedrijven zien daarnaast beperkte kansen in opslag van warmte of elektriciteit. Een aantal bedrijven liet zich om administratieve redenen van de wachtlijst halen, omdat een plek daarop alleen mogelijk is met een concreet uitbreidingsplan. Netcongestie leidt bij een deel van de bedrijven tot uitstel van investeringen, en in sommige gevallen tot merkbare frustratie over het tempo waarmee netbeheerders capaciteit vrijmaken.
Voor de periode na 2030 melden bedrijven nog eens 14,4 Mton aan CO2-reductieprojecten, iets meer dan de 13,6 Mton van vorig jaar. Van die projecten is ruim 80% onzeker. De toename komt grotendeels van afvalverbrandingsinstallaties en van projecten die bedrijven eerst voor 2030 planden, maar die ze nu uitstellen. Bij de grootste uitstoters daalt het volume juist iets. Vertraging bij de CCS-infrastructuur, waaronder opnieuw Aramis, en bij de waterstofbackbone, duwt projecten over de grens van 2030. Ook lange vergunningstrajecten spelen een rol. Afvalverbrandingsinstallaties hebben relatief vaak te maken met uitstel van hun CCS-plannen, deels door onzekerheid rond vergunningen en deels door de onduidelijke status van bioswap. In de periode 2031-2035 komt er naar verwachting nog 6,6 Mton bij, vooral bij bedrijven die hun CCS- en waterstofprojecten pas na 2030 realiseren.
Ongeveer de helft van de bedrijven is ontevreden of zeer ontevreden over de overheidsfacilitering van knelpunten, nagenoeg het zelfde beeld als vorig jaar. Bedrijven noemen de Indirecte Kosten Compensatie voor ETS-bedrijven ontoereikend voor de elektriciteitskosten, missen een gelijk speelveld met buitenlandse concurrenten en vinden de vergunningstrajecten te lang. Over maatwerktrajecten zijn bedrijven juist wel tevreden. Opvallend is dat bedrijven verdeeld zijn over het afschaffen van de CO2-heffing: voor wie al heeft geïnvesteerd pakt dat negatief uit, voor anderen verlicht het de kostendruk. Naast de scope 1-projecten melden bedrijven ook 12,6 Mton aan potentiële reductie in scope 2 en scope 3, onder meer via waterstofproductie, biobrandstoffen en warmtelevering aan stadsverwarming. Bijna de helft daarvan, ongeveer 5,2 Mton, valt in scope 2 en verlaagt daarmee vooral de CO2-uitstoot van de Nederlandse elektriciteitssector. De resterende 7,4 Mton in scope 3 komt onder meer uit de vergroening van grondstoffen, voor een deel buiten Nederland. Bedrijven noemen zeven tot acht procent van die projecten onzeker, een aanzienlijk lager percentage dan bij de scope 1-projecten.
Dit artikel delen op je eigen website? Geen probleem, dat mag. Meer informatie.