Home » Productie Industrie » Productie Automatisering » Elektronica / Elektrische systemen » Elektronicasector moet kiezen: welk specialisme maakt je onmisbaar voor klanten?
Door: Erik de Jong (Advercom) - 6 november 2026 |
Van 10 tot en met 13 november komt de wereldwijde elektronicasector samen op electronica 2026 in München. Vooraf legde IndustrieVandaag twaalf vragen voor aan de Global Electronics Association, voorheen IPC. Vier experts geven antwoord over een herstel dat vorm krijgt maar ongelijk verloopt, krappe componenten, AI op de fabrieksvloer, defensie, de Chips Act 2.0 en het digitaal productpaspoort. Hun belangrijkste advies: kies een specialisme waarin je moeilijk te vervangen bent.
Wie in Nederland of België weleens een printplaat heeft gesoldeerd, gekeurd of ingekocht, kent de afkorting IPC. De normen van de vereniging, zoals IPC-A-610 voor de acceptatie van elektronische assemblages en J-STD-001 voor soldeerprocessen, gelden wereldwijd als gemeenschappelijke taal tussen opdrachtgever en toeleverancier. De organisatie begon in 1957 in de Verenigde Staten als Institute of Printed Circuits en groeide uit tot een internationale branchevereniging die inmiddels ruim 3.000 bedrijven vertegenwoordigt, van ontwerpers en printplaatmakers tot EMS-bedrijven en OEM‘s. Sinds 2025 gaat ze verder als Global Electronics Association, een naam die beter past bij haar rol in de hele keten van ontwerp tot eindassemblage. Naast standaarden, trainingen en certificering doet de vereniging marktonderzoek en voert ze lobby richting overheden, in Europa vanuit Global Electronics Association Europe GmbH, dat sinds 2003 bestaat.
Dat marktinzicht is dit jaar flink gegroeid, omdat de vereniging de Europese EMS- en printplaatstatistieken overnam van marktonderzoeker in4ma. Het eerste Europese EMS-rapport onder eigen vlag is gebaseerd op 397 bedrijven die samen bijna 31% van de Europese EMS-productie vertegenwoordigen. Daarmee heeft de vereniging goed zicht op wat er beweegt in de EMS-sector, de bedrijven die in opdracht van anderen elektronica ontwikkelen, assembleren en testen. Voor de Benelux is dat geen ver-van-mijn-bedshow, want naast wereldspelers als ASML, NXP en imec telt de regio een stevige laag toeleveranciers in de elektronica, van Neways en Prodrive Technologies tot Connect Group, die de schommelingen in de automotive- en industriemarkt direct terugzien in hun orderboeken.
Vier experts van de vereniging beantwoordden schriftelijk de vragen van IndustrieVandaag: Dominik Grau (vice president Europe), Christoph Solka (director industry intelligence), Alison James (senior director European government relations) en Diana Radovan (director sustainability policy). Grau beantwoordde alle twaalf vragen, zijn collega’s schoven aan op hun eigen vakgebied.
De cijfers geven reden tot voorzichtig optimisme, maar wie verder kijkt dan de orderboeken ziet een gemengd beeld. Volgens het jaaronderzoek van de vereniging daalde de omzet van de Europese EMS-bedrijven in 2025 met 2,9%, terwijl het halfjaaronderzoek van 2026 een book-to-bill-ratio ruim boven 1 en groeiende orderportefeuilles laat zien. Grau en Solka spreken daarom van “een herstel dat vorm krijgt, eerder dan een brede opleving”. Buiten de groeihaarden die AI aanjaagt, heeft een groot deel van de Europese elektronicasector twee gedempte jaren achter de rug. “De orderboeken verbeteren en het vertrouwen keert terug. Sterkere boekingen hebben zich echter nog niet in de hele industrie vertaald in een even sterke omzetgroei.”
Dat de orderpositie verbetert, vertelt volgens beide experts bovendien niet het hele verhaal. “Hogere componentprijzen en klanten die verder vooruit bestellen spelen ook een rol, dus sterkere cijfers betekenen niet automatisch meer productie of een betere winstgevendheid.” Tegelijk worden de leveringsomstandigheden lastiger en lopen de voorraden weer op.
En hoe staan Nederland en België ervoor? “De bedrijven uit België en Nederland in onze halfjaarlijkse enquête melden verbeterende orders, maar een bescheidener omzetverwachting dan het Europese gemiddelde”, zeggen Grau en Solka. “De bevindingen van onze deelnemers wijzen op een geleidelijke verbetering.”
Moet een middelgrote Nederlandse of Belgische elektronicamaker dan de groei achterna in halfgeleiderapparatuur, defensie en datacenters? Volgens Grau is dat niet per se een keuze tussen specialisatie en spreiding. “Een fabrikant kan zich specialiseren in een bepaalde kunde, zoals complexe assemblage, productie met hoge betrouwbaarheid of engineeringondersteuning, en daarmee toch meerdere eindmarkten bedienen.”
Een groeiende sector is volgens hem niet automatisch een toegankelijke of aantrekkelijke markt voor elke toeleverancier. “Kwalificatie-eisen, benodigde investeringen, klantconcentratie en de tijd tot de eerste omzet tellen allemaal mee.” Voor een middelgroot bedrijf ligt de sterkste strategie daarom vaak in het voortbouwen op bestaande technische sterktes, met een evenwichtige klantenportefeuille. “Spreiding moet de kwetsbaarheid verkleinen, zonder het bedrijf verder op te rekken dan het betrouwbaar kan uitvoeren.”
Tegelijk waarschuwt Grau voor versnippering. Wie een nieuwe koers zoekt, doet er volgens hem goed aan doelgericht deelsegmenten binnen defensie, datacenters en halfgeleiderapparatuur op te zoeken, in plaats van breed te diversifiëren. “Kapitaal spreiden over ongerelateerde consumenten- of generieke commerciële markten verdunt de beperkte engineeringcapaciteit en tast het concurrentievoordeel aan.” Markten met hoge marges en hoge toetredingsdrempels bieden volgens hem op lange termijn meer financiële veerkracht.
Ongeveer 38% van de Europese EMS-bedrijven beoordeelt de leveringssituatie in het halfjaaronderzoek als slecht of zeer slecht. Knelpunten duiken op meerdere plekken in de toeleveringsketen op, terwijl de sterke vraag vanuit AI beslag legt op capaciteit en materialen. Volgens Grau en Solka kan de industrie putten uit de ervaringen met de verstoringen van de afgelopen jaren, “al is de huidige situatie niet identiek”.
Voor inkopers ligt de prioriteit bij het in kaart brengen van kritieke afhankelijkheden en het vroeg bespreken van behoeften met leveranciers en klanten. “Ontwerpers kunnen helpen door al tijdens de ontwikkeling rekening te houden met beschikbaarheid en waar mogelijk technisch geschikte alternatieven toe te staan”, aldus de twee. “Nauwe samenwerking tussen inkoop en engineering geeft meer opties wanneer de leveringsomstandigheden veranderen.”
Wonderen moet niemand daarvan verwachten. “Deze maatregelen nemen onderliggende capaciteits- of materiaaltekorten niet weg, maar ze verbeteren wel de paraatheid.” Ook bij voorraadbeslissingen pleiten ze voor selectiviteit, omdat extra dekking zinvol kan zijn voor kritieke onderdelen, terwijl een algemene voorraadverhoging het risico op overtollige voorraad met zich meebrengt. “De juiste reactie hangt af van het specifieke leveringsrisico, en niet van één aanpak voor alle componenten.”
Het rapport dat de vereniging in september samen met het Franse onderzoeksbureau DECISION Études & Conseil publiceerde, rekent voor dat Europese bedrijven maar een fractie verdienen aan de eigen datacentermarkt. Volgens het datacenterrapport halen bedrijven met een hoofdkantoor in de EU zes cent binnen van elke euro die in Europa aan datacenterhalfgeleiders wordt uitgegeven, zeven cent bij de bouw en assemblage van servers en acht cent bij cloudinfrastructuur. Grau en James plaatsen daar wel een kanttekening bij. “Die cijfers beschrijven de waarde die bedrijven met een hoofdkantoor in de EU binnenhalen. Ze zijn geen directe maat voor alle productie die fysiek in Europa plaatsvindt.” Zowel groeiende Europese bedrijven als productie-investeringen van internationale spelers kunnen volgens hen bijdragen aan een sterkere industriële basis.
Europa kan zijn productiepositie dus versterken, mits investeringen de vraag verbinden met de capaciteit en kennis die nodig zijn om die vraag te bedienen. Het rapport pleit daarom voor een strategie van begin tot eind, die halfgeleiders, interconnectie, assemblage en complete systemen met elkaar verbindt in plaats van ze als losse beleidsvraagstukken te behandelen. Voor Nederlandse en Belgische EMS-bedrijven zien Grau en James een rol in printplaatassemblage, engineering, systeemintegratie, testen en ondersteuning gedurende de levensduur van producten, afhankelijk van wat ieder bedrijf kan. “De commerciële fundamenten zijn onmisbaar: gekwalificeerde technologie, vakbekwame mensen, een concurrerende bedrijfsvoering en geloofwaardige toezeggingen van klanten.”
Kunstmatige intelligentie jaagt niet alleen de vraag naar chips aan, maar verandert ook de productie zelf. Grau kijkt daar nuchter naar: “Elektronicabedrijven moeten AI behandelen als een operationele investering, niet als een technologische etalage.” Zijn advies is te beginnen bij het productieknelpunt dat het zwaarst weegt voor het concurrentievermogen, zoals een inspectiebottleneck, terugkerende defecten, ongeplande stilstand of een onbetrouwbare planning. “Kies één of twee toepassingen, wijs een verantwoordelijke eigenaar uit de operatie aan en leg een nulmeting en een meetbaar doel vast. De businesscase moet minder uitval en herbewerking, een hogere beschikbaarheid of een betrouwbaardere levering aantonen, en niet simpelweg een geavanceerder dashboard.”
Opschalen vraagt volgens Grau voorbereiding nog vóórdat de pilot start. Hij raadt aan de prestaties te testen over representatieve producten, ploegen en omstellingen heen, en de volledige kosten van integratie, training en ondersteuning mee te wegen. Ook moet vooraf vastliggen welke beslissingen menselijke goedkeuring vereisen en wanneer operators terugvallen op vertrouwde processen. “Het doel is een herhaalbare verbetering die naar andere lijnen kan worden overgezet, niet een geslaagde demonstratie die op zichzelf blijft staan.”
Parallel daaraan pleit hij voor een stevig datafundament dat apparatuur, inspectie, traceerbaarheid en productiesystemen met elkaar verbindt. Standaarden als IPC-2591, beter bekend als Connected Factory Exchange (CFX), ondersteunen die uitwisseling van productiedata, “maar connectiviteit op zich is nog geen AI”. Leveranciers moeten volgens Grau hun interoperabiliteit kunnen aantonen en vooraf duidelijkheid geven over de toegang tot en het eigendom van data. “Het strategische doel is niet het kopen van een volledig autonome fabriek, maar het bouwen van een productieorganisatie die continu kan verbeteren zonder bij elke nieuwe toepassing opnieuw te beginnen.”
Het voorstel voor de Chips Act 2.0 breidt de Europese steun uit van halfgeleiders naar printplaten, printplaatassemblages, IC-substraten en advanced packaging. Volgens Grau en James is dat in de eerste plaats een principiële erkenning. “Elektronica-assemblage wordt gezien als onderdeel van Europa’s strategische industriële basis, en niet slechts als een activiteit stroomafwaarts van de halfgeleiderproductie.” De vereniging heeft zelf voor die uitbreiding gelobbyd, nadat de oorspronkelijke Chips Act zich vooral op de chipproductie zelf richtte.
Toch waarschuwen beiden voor te hoge verwachtingen. Het voorstel doorloopt tot in de eerste helft van 2027 het wetgevingstraject, en voor een EMS-bedrijf met 150 medewerkers in Eindhoven of Ieper betekent het niet dat er morgen subsidie klaarligt. “Het kan kansen creëren om deel te nemen aan initiatieven voor capaciteitsopbouw, innovatie of investeringen, afhankelijk van de definitieve wetgeving en de regels per programma. Het betekent niet dat elk bedrijf in aanmerking komt voor een directe subsidie.” Over data doen ze daarom geen beloften: “Financieringsdata moeten niet worden toegezegd voordat de programma’s, budgetten en aanvraagprocedures zijn bevestigd.”
Nederlandse en Belgische fabrikanten doen er volgens hen wel goed aan nu al op te trekken met hun nationale autoriteiten. Van de nationale uitwerking verwachten Grau en James dat die deelname ook voor kleinere fabrikanten praktisch haalbaar maakt, met “duidelijke voorwaarden, proportionele aanvraageisen, toegankelijke samenwerkingsverbanden en ondersteuning die bedrijven helpt hun technische kennis om te zetten in productie”.
Volgens de vereniging vindt slechts 6% van de wereldwijde defensiegerelateerde printplaatproductie in Europa plaats, terwijl de Europese defensie-uitgaven stijgen. Is defensie daarmee de groeimarkt waarop de Europese elektronicasector heeft gewacht? Grau en James zijn terughoudend. “Defensie moet worden benaderd als een gerichte groeistrategie, niet als algemeen antwoord op zwakke vraag elders.” Bedrijven doen er goed aan te bepalen waar hun bestaande sterktes een concreet klantprobleem oplossen, bijvoorbeeld in assemblage met hoge betrouwbaarheid, testen, traceerbaarheid of langdurige productondersteuning. “De kernvraag is niet hoe snel de defensie-uitgaven groeien, maar welk werk het bedrijf realistisch kan winnen, leveren en volhouden.”
Voordat er kapitaal op tafel komt, hoort er een businesscase te liggen die de hele route beslaat, van kwalificatie tot het innen van de facturen. Denk aan certificeringen, beveiligingsverplichtingen waar die gelden, engineeringcapaciteit, de beschikbaarheid van componenten en ondersteuning gedurende de levensduur. Ook afspraken over kwalificatiekosten, voorraadverplichtingen, ontwerpwijzigingen en veroudering moeten commercieel vastliggen. “Een veelbelovende klantprognose is geen vaste order, en verwachte omzet mag het werkkapitaal dat nodig is om te leveren niet uit het zicht doen verdwijnen.”
Capaciteit uitbreiden gebeurt volgens de experts het beste stapsgewijs, gekoppeld aan kwalificatiemijlpalen en harde klanttoezeggingen. Publiek geld is welkom zolang het een commercieel gezonde investering ondersteunt, “in plaats van dat de beschikbaarheid van subsidie de strategie bepaalt”. Het European Defence Industry Programme (EDIP) bevat steun voor belangrijke elektronische componenten, waaronder printplaten en IC-substraten, en de huidige oproep sluit op 16 februari 2027. Wie interesse heeft, moet nu de voorwaarden beoordelen en aanvragen. “Defensie moet de concurrentiepositie en de portefeuille van een bedrijf versterken, en geen nieuwe afhankelijkheid creëren.”
Ook in een krimpjaar wisten veel Europese EMS-bedrijven hun winstgevendheid te stabiliseren of zelfs te verbeteren. Eén verklaring is daar volgens Grau waarschijnlijk niet voor, maar het jaaronderzoek laat wel zien “dat omzetgroei en margeprestaties niet altijd samen bewegen”. De relevante vraag is volgens hem of een fabrikant betaald krijgt voor de waarde en complexiteit die hij levert. Engineeringdiensten, productie met hoge betrouwbaarheid, gespecialiseerde processen en ondersteuning gedurende de levensduur kunnen een bedrijf onderscheiden, “maar alleen als de prijsstelling en de operationele uitvoering dat ondersteunen”.
Ook automatisering vraagt om een heldere businesscase die zich richt op de oorzaken van margeverlies. In high-mix-productie moet een investering volgens Grau worden afgezet tegen omsteltijd, first-pass yield, leverbetrouwbaarheid en de vraag of de lijn de verwachte productmix aankan, en dus niet alleen tegen de bezettingsgraad van de machines. Minstens zo belangrijk als technologie is commerciële discipline, zoals de manier waarop een bedrijf omgaat met prijswijzigingen van materialen, technische wijzigingen en voorraadverplichtingen.
De werkgelegenheid bij Europese EMS-bedrijven daalde in 2025 met gemiddeld 3,9%, goed voor 3.445 banen, en toch klagen bedrijven over een gebrek aan technici en engineers. Volgens Grau meten werkgelegenheid en de beschikbaarheid van vaardigheden simpelweg verschillende dingen. “Een elektronicafabrikant kan in totaal minder mensen nodig hebben omdat de productievolumes zijn gedaald, en toch moeite hebben met het werven voor specifieke functies in procesengineering, testen, onderhoud of automatisering.” Wie in de ene activiteit afbouwt, krijgt daarmee niet vanzelf de vaardigheden die elders nodig zijn, omdat kennis, locatie en opleidingstijd de match beperken.
De elektronicasector in Europa heeft daarom volgens hem een duurzame instroom nodig die opleidingen bij werkgevers, technisch onderwijs, leerwerktrajecten en doorlopende ontwikkeling combineert. IPC-trainingen en -certificeringen dragen bij aan een gemeenschappelijk begrip van de eisen in de industrie en hoe je die toepast, “als aanvulling op, niet als vervanging van praktijkervaring en breder technisch onderwijs”. “Leerwerktrajecten, samenwerkingen met technisch onderwijs en praktische ontwikkelprogramma’s moeten een doorlopende pijplijn vormen, die niet pas weer opstart als de orders herstellen.”
Onder de Europese Ecodesignverordening (ESPR) krijgt ook elektronica te maken met een digitaal productpaspoort (DPP). Eén datum waarop alles verandert, is er volgens Grau en Radovan echter niet. “De verordening schept een kader, met gedetailleerde eisen die worden uitgewerkt in toekomstige productspecifieke gedelegeerde handelingen of horizontale maatregelen.” Fabrikanten moeten daarom de regels volgen die voor hun eigen producten gelden, in plaats van te plannen rond één veronderstelde deadline.
Voorbereiden kan wel al, bijvoorbeeld door de productidentificatie te verbeteren, leveranciersdata en materiaalinformatie te verzamelen en registraties betrouwbaar bij te houden wanneer producten wijzigen. Bestaande standaarden helpen daarbij: IPC-1752 ondersteunt de uitwisseling van materiaaldeclaraties in de keten, terwijl standaarden voor productiedata andere delen van de informatiestroom afdekken. “Geen van beide moet worden gepresenteerd als complete paspoortoplossing of als automatisch bewijs van naleving.”
De vereniging neemt deel aan de bijeenkomsten van het Ecodesign Forum en pleit daar voor werkbare paspoorten, die de operationele behoeften van elektronicafabrikanten in balans brengen met de transparantie die recyclers en consumenten vragen. “Het is belangrijk dat de eerste verplichte DPP-eisen beperkt blijven, zodat paspoorten minimale maar zinvolle informatie bevatten die bedrijven realistisch door de hele waardeketen heen kunnen verzamelen.”
Amerikaanse importheffingen, Chinese exportbeperkingen en een wereldwijde subsidiewedloop hertekenen de toeleveringsketen. Hoe kwetsbaar Europese fabrikanten daarvoor zijn, verschilt volgens Grau en James per bedrijf,product en ketenstructuur. “Fabrikanten moeten niet alleen hun directe leveranciers kennen, maar ook weten waar kritieke componenten en materialen vandaan komen, waar de productie plaatsvindt en welke markten hun eindproducten bedienen.”
Europa moet volgens hen inzetten op “selectieve weerbaarheid, en niet op een poging om elke mondiale keten in eigen huis na te bouwen”. De vereniging pleit voor een sterker elektronica-ecosysteem van silicium tot systemen, dat ook afhankelijkheden in printplaten en assemblage aanpakt en niet alleen in halfgeleiders voor kritieke industrieën. Het voorstel voor de Chips Act 2.0 volgt die lijn in belangrijke mate. Publieke steun moet daarbij commercieel duurzame productiecapaciteit opbouwen, “in plaats van structurele nadelen eindeloos te compenseren”. Dat vraagt volgens de twee om een echte industriestrategie voor de elektronicasector, met aandacht voor arbeidsmarkt, de route van onderzoek naar productie, werkbare regelgeving, minder administratieve lasten en vooral vraag. “Europese productie versterken en betrouwbare mondiale leveringsrelaties onderhouden zijn complementaire doelen.”
Welk besluit moet een Nederlandse of Belgische elektronicafabrikant de komende twaalf maanden nemen? Grau is daar stellig over. “Kies het specialisme dat je bedrijf moeilijker vervangbaar maakt en verbind er een investeringsplan aan.” Dat kan geavanceerde assemblage zijn, productie met hoge betrouwbaarheid, engineeringondersteuning of beter verbonden productie. De keuze moet volgen uit een duidelijke klantbehoefte en een realistische inschatting van de eigen sterktes.
Op electronica 2026 raadt hij bezoekers aan verder te kijken dan losse componentlanceringen en vooral te letten op de manier waarop leveranciers technologieën samenbrengen tot maakbare systemen. Interessant is volgens hem of de vooruitgang in AI-infrastructuur, packaging en interconnectie ook wordt bijgebeend door assemblagecapaciteit, teststrategieën, data-interoperabiliteit en een toeleveringsketen die er klaar voor is. Zijn advies voor wie in München over de beursvloer loopt: “De waardevolste vraag is niet simpelweg ‘wat is er nieuw?’, maar ‘wat kunnen we betrouwbaar produceren, opschalen en ondersteunen?’”
Dit interview is schriftelijk afgenomen, in samenwerking met Fien Logghe van Omnicon. De antwoorden zijn door IndustrieVandaag uit het Engels vertaald en bewerkt. Foto’s: Global Electronics Association.
Dit artikel delen op je eigen website? Geen probleem, dat mag. Meer informatie.